Precies een jaar geleden ging het in het trainingskamp van Oranje op Wits University in Johannesburg over de lichte enkelblessure van Khalid Boulahrouz, het oefenen op hoogte en wat Bert van Marwijk zou gaan stemmen voor de Tweede Kamer-verkiezingen, die een dag later op het programma stonden. Inderdaad, het WK in Zuid-Afrika stond op het punt van beginnen.
Toen nog kon niemand bevroeden, dat Oranje uiteindelijk een teen van Iker Casillas en een iets langere adem in de extra tijd van de finale verwijderd was van de allereerste Wereldtitel.
Zonder dat we het ons nu beseffen, waren we opnieuw getuige van een voetbaldrama, dat we voor altijd als een traumatische ervaring met ons mee zullen dragen. Als we oud en versleten zijn, vragen de kleinkinderen ons nog een keer dat ongelooflijke verhaal te vertellen over het fameuze net niet-Oranje.
Voetballiefhebbers die na 1978 geboren zijn, moesten van vader, opa's, ooms, buurmannen en wildvreemde voorbijgangers lang de ongelooflijkste vertellingen aanhoren over het geweldige totaalvoetbal van 1974.
Ze oreerden over de acties van Johan Cruijff, de snoeiharde penalty's van Johan Neeskens en de fluwelen passes van Willem van Hanegem. Met opwellende tranen in de ogen spraken ze over de smerige schwalbe van Bernd Hölzenbein in de finale, waardoor de 1-0 voorsprong tegen West-Duitsland teniet werd gedaan, en het droge rollertje van Gerd Müller. Om vervolgens met slaande deuren te besluiten dat Nederland op onterechte wijze beroofd was van het eerste WK-goud.
Later schaarden de verkochte finale in Argentinië en de beroemde paal van Rob Rensenbrink zich onder de tragische voetbalhoofdstukken. Nooit meer zou Oranje er zo dicht bij komen als toen, 1974 en 1978, zo luidde het met geheven vingertje. Maar in 1992, 1996, 1998 en vooral 2000 kon ik wel degelijk iets tegen de klaagzangen van de oudere generatie inbrengen.
De fatale strafschoppenreeksen tegen Denemarken, Frankrijk, Brazilië en vooral Italië kerfden diepe krassen in mijn voetbalziel. En toen ik onder mijn oranje shirtje door keek naar de andere verbaasde en beschadigde nationalisten om me heen, zag ik hun betraande ogen hetzelfde: hoe komen we hier ooit overheen? En ook: hoe leg ik dit ooit uit aan mijn kleinkinderen?
Vooral dat laatste zal lastig worden. Zelfs statistisch gezien is de kans nihil dat een klein landje zo vaak dicht bij een hoofdprijs is en die nooit grijpt. Zoiets valt gewoon niet te verklaren. Worden we dwars gezeten door sadistische voetbalgoden, die ons wel telkens laten ruiken aan het koningsbuffet, maar nooit laten toehappen?
We kunnen onze hoop vestigen op Spanje, dat als een van de grootste competities ter wereld tot 2008 slechts één keer een nationale titel veroverde: het EK van 1964. Uitgerekend Spanje, dat ons vorig jaar in de WK-finale de teen dwars zette. Ja, de Zuid-Europeanen waren beter, maar Oranje kreeg de allergrootste kans. Een lichaamsdeeltje van Casillas creëerde echter een nieuw trauma. Zelfs er aan terugdenken doet pijn. Er weer zo dichtbij en weer niets.
Precies een jaar geleden zei Van Marwijk op een persconferentie in Zuid-Afrika: "Ik hoop dat Robben voor ons nog van waarde kan zijn op het WK." Bijna profetische woorden, met een dubbele bodem. Volgend jaar en vooral in 2014 een nieuwe kans voor de bondscoach om eindelijk historie te schrijven en af te rekenen met de Oranje-trauma's. Zodat het verhaal een happy end krijgt, zoals het hoort. En we met z'n allen over 50 jaar kunnen zeggen, met het kleinkind op schoot: "Vergeet die oude koeien. Uiteindelijk kwam alles goed."

