Negen reddingen verrichtte hij, Jan Oblak, in de return tegen Liverpool van woensdagavond. Twee keer liet hij een bal door, maar door de scoringsdrift van Marcos Llorente is het hem vergeven. Oblak wordt een dag na de uitschakeling van Liverpool door Atlético Madrid als de grote held gepresenteerd. Terecht, bewijzen de statistieken.
Kans na kans
Liverpool had kans na kans om Atléti het beslissende stootje toe te brengen, maar telkens stond Oblak in de weg. De teller eindigde voor de thuisploeg van woensdag op 35 doelpogingen. Twaalf daarvan gingen tussen de palen of tegen het aluminium. Dat waren er zelfs al meer dan de tien doelpogingen die Atlético deed. De Madrilenen wisten vier keer Liverpool-doelman Adrian te testen. Drie keer, in alle gevallen in de verlenging, was het raak. Llorente (twee) en Alvaro Morata scoorden.
Oblak werd door zijn vele reddingen de held van de avond. Het waren er precies genoeg om Atlético in de Champions League-strijd te houden. Maar waarom werd hij dan niet zo gezien in de heenwedstrijd, toen Liverpool al met 1-0 werd verslagen? Hij kreeg nota bene geen doelpunt tegen.
Geen poging op doel
Veel hoefde Oblak in de heenwedstrijd van de achtste finales van de Champions League ook niet uit de kast te halen. Liverpool had in Madrid veel meer moeite het net te vinden, bewijzen de statistieken. Sterker nog, geen enkele poging van de ploeg van trainer Jurgen Klopp ging op doel. Atléti mikte twee keer binnen de palen en had ook meer doelpogingen: acht tegen zeven.
Oblak kreeg op Anfield meer kansen om zich te onderscheiden. Die greep hij met beide handen aan. Met zijn optreden in de terugwedstrijd haalde hij menig voorpagina. Oblak hield de Champions League-droom van Atléti in leven, en zorgde dat die van de titelverdediger uiteen spatte. Genoeg reden om hem te bewieroken.


